Ons Zeeland 1928, nummer 16

Vorige nummer Volgende nummer Overzicht Online zoeken

- DE BEVOLKINGS-VERMINDERING IN ZEELAND -

De heer J. Huizinga, burgemeester van Terneuzen, schrijft ons:

Sedert de opgaven van den loop der bevolking uit onderscheidene gemeenten bekend werden, hebben velen daarin aanleiding gevonden er iets over te zeggen of te schrijven. Bijna iedere burgemeester, hoofd van eene gemeente, waar de bevolking was verminderd, meende daarop bij de opening der eerste Raadsvergadering van dit jaar, te moeten wijzen. Zelfs is er in eene gemeente zooveel aandacht aan dit vraagstuk geschonken, dat van daaruit door een motie de zaak wereldkundig is geworden; in Terneuzen heeft de predikant Ds. Timmerman er een 15-regelig stukje over geschreven in het plaatselijk blad.

Het vraagstuk der bevolkingsvermindering, zich voordoende in eenige gemeenten in Zeeland, heeft de aandacht zoodanig getrokken, dat men de kwestie wel eens nader wil bezien.

Het is al meer geschied - althans in Zeeuwsch-Vlaanderen - dat aan het einde van het jaar bleek, dat het zielenaantal was teruggeloopen. Dit feit liet men echter ongemerkt voorbij gaan. Nu het echter een algemeen verschijnsel is geworden en de feiten dit aantoonen, is het zeker goed na te gaan, wat de oorzaken der bevolkingsvermindering zijn en welke gevolgen het kan hebben voor onze provincie. De eerste voor de hand liggende vraag is derhalve deze: "wat zijn de oorzaken der bevolkingsvermindering, vooral van dien teruggang die in enkele steden zoo sterk sprekend is?"

Ik schrijf hier niet van Zeeuwsche bevolkingsvermindering, omdat reeds sedert jaren in tal van gemeenten buiten Zeeland, de bevolkingsvermindering kan worden waargenomen. Waar ik echter in een blad als "Ons Zeeland" schrijf, zal ik het echter hebben over het huidige verschijnsel in de provincie Zeeland. De oorzaken van de thans gesignaleerde bevolkingsvermindering in Zeeland zijn drieërlei. Ik begin bij de behandeling er van met de minst schuldige oorzaak, welke hierin gelegen is, dat Zeeland te weinig aantrekkelijkheid als woonplaats bezit in vergelijking met hetgeen midden-Nederland in dit opzicht biedt. Dit wil niet zeggen dat er in Zeeland geen mooie plekjes zijn om te wonen, dat niet. Wat natuurschoon betreft, zijn er zeer zeker prachtige gedeelten, doch dan houdt daarmede het woongenot ook vrijwel op, om het n.l. dan als een bijzondere woonplaats te begeeren. Wat toch vormt deze gezelligheid voor een gezin om een bepaalde plaats of streek te kiezen als woonplaats? Immers deze, dat de woongelegenheid, de omgeving, het zich conformeeren met de bevolking en het zich gemakkelijk kunnen. verplaatsen, aanwezig zijn. Zien wij nu op steden als Middelburg en Goes, dan mogen wij gerust zeggen, dat de woongelegenheid er goed is; wat de omgeving betreft, kan dit ook van Middelburg gezegd worden, doch iemand die in andere steden of dorpen van Zeeland woont - een enkele uitzondering daargelaten - staat, zoodra hij buiten de huizenkom is, in het polderland of meermalen op een slikweg. Voor een geboren en lange jaren in Zeeland vertoevenden Zeeuw, is dat geen bezwaar. Ik bedoel ook niet er iets kwaads mee te zeggen, doch geef enkel het gevoelen van anderen. Wat het aanpassen aan de bevolking betreft, dit gaat voor de Zeeuwen onderling heel goed, maar iemand uit overig Nederland is het een merkwaardige moeilijkheid, om er zich thuis te kunnen gevoelen. Het gemakkelijk verplaatsen - behalve tusschen Vlissingen en Middelburg - is vrijwel uitgesloten. Alles bijeen genomen, staat dit wel vast, dat iemand, die van een niet te ruim inkomen moet leven en geheel vrij is waar hij zijn inkomen verteert, méér aan levensgenoegens geniet, wanneer hij zich in midden-Nederland vestigt, dan in een der steden van Zeeland. Het gevolg daarvan is, dat menschen, welke in het bovenaangehaalde geval verkeeren, de provincie gaan verlaten, zoodra hun de gelegenheid daarvoor open staat. Dat aantal, dat voor meer woongenot Zeeland gaat verlaten, zal wel niet zoo beduidend groot zijn, doch het vormt een van de oorzaken der bevolkingsvermindering en deze kwestie wordt eenigszins klemmend, omdat uit overig Nederland zich niemand gaat vestigen in een der steden of dorpen van Zeeland, tenzij men een geboren Zeeuw is. Het spreekt vanzelf, dat hetgeen ik hierover schrijf, niet alles als een absolute stelling vast staat voor alle steden, doch wel voor het overgroote deel van de dorpen in Zeeland.

Als tweede en vrij belangrijke oorzaak kan worden vastgesteld, dat voor velen de bestaansmiddelen om in Zeeland te blijven, ontbreken, zoodat zij terwille van zich zelven en van hunne gezinsleden, naar een ander oord heentrekken. Dit betreft echter voor een groot deel de bevolking van het platteland. Hun uittrekken is een gevolg van de heerschende werkloosheid, die over het geheele platteland wordt aangetroffen.

Toen voor eenige jaren de werkloosheid een grooten omvang verkreeg bij de industrie, ging deze toestand vrijwel langs Zeeland heen, doch nu de werkloosheid zich ook voltrekt bij het landbouwbedrijf, nu zien wij daar al de gevolgen van ook in onze provincie. Die werkloosheid bij het landbouwbedrijf zou niet zulk een grooten omvang hebben aangenomen, ware het niet dat de gevoelens om hulp te verleenen zoo waren geluwd. In de jaren 1920-1925 is de steunregeling, toen noodig voor de industrieele arbeiders, in discrediet geraakt.

Zeker, daar was oorzaak.

De gevallen van bedrog en misleiding, degeneratie onder sommige werklieden, ontstaan door den steun enz., zijn oorzaak geworden, dat bij velen groote antipathie bestaat tegen dit instituut. Doch het is niet enkel dat, ook de onkunde over de werking van dit instituut bij de leidende massa en een verkeerde beschouwing er over, heeft diskwalificatie gebracht. Sedert is er een zekere hetze gekomen tegen de steunverleening, die even funeste gevolgen heeft, als voor sommigen steunuitkeering is geweest. Het zijn niet enkel de werklieden welke de steunuitkeeringen in opspraak brengen, maar in het laatste jaar ook menige werkgever, die de steunuitkeering gebruikt om zijn arbeiders zoo spoedig mogelijk te ontslaan. Immers, zij redeneeren aldus, er wordt toch steun verleend, waaraan wij ook meebetalen met onze belastingpenningen. Er is door dit alles op het platteland een geest gekomen, waardoor men elkander spoediger loslaat dan weleer. Dat spreekt, het is niet de eenige oorzaak van de landbouwers om zijn arbeiders heen te zenden. De loonen op het platteland zijn naar boven gegaan. Werden er voor den oorlog bij den landbouw loonen betaald van f 6.- tot f 10.- per week, stegen deze een korten tijd later van f 18,- tot f 22,-, thans zijn die weer teruggeloopen naar gemiddeld fl 10.- tot fl 14.- per week. Het is dus zeer verklaarbaar, dat bij het stijgen van de pacht naast een mindere opbrengst der producten, een landbouwer zijn arbeiders vlugger heen zendt, dan weleer. Bovendien, het toepassen van machinale hulpkrachten, tijdens den oorlog steeds meer ingevoerd, de behoefte aan menschenkracht deed afnemen. De toestand werd daardoor op het platteland zeer ongunstig. Dat heeft het Prov. Comité voor Emigratie naar Canada aanleiding gegeven, velen op te wekken naar dit deel van de wereld te gaan en daar voor zich en hun gezin een goed bestaan te vinden. Dit heeft er toe geleid, dat in het jaar 1926, van uit Zeeland naar Canada en andere landen 246 personen zijn vertrokken. Vele van deze mannen hebben in 1927 hunne vrouwen en kinderen laten overkomen, terwijl daarnaast in 1927 ook weer een groot aantal mannen zijn vertrokken, die ook hunne gezinsleden lieten overkomen. Zoodat bijeengeteld, een groot aantal heen ging. En deze uittocht klemt het meest voor de kleine gemeenten. Wanneer er uit Middelburg 7 en uit Goes 10 personen heengaan, is dat niet of nauwelijks merkbaar, doch als men ziet dat er uit St. Jansteen in 1926 61 mannen vertrokken, die later hunne vrouwen en kinderen lieten overkomen, is het duidelijk, dat dit op eene bevolking van nog geen 3600 inwoners, een aanmerkelijke uittocht is. Evenzoo met een gemeente als Hulst, waaruit in 1926 28 mannen zijn vertrokken.

En men bedenke daarbij wel, dat zoo er uit een gemeente plotseling een kleine 100-tal inwoners uittrekken, dit onmiddellijk wordt gevoeld door de bakkers, de winkeliers en de schoenmakers, en zoo een heele reeks van menschen lijden, waardoor ten slotte alles klaagt, alsof zoo'n gemeente ten gronde gaat. Maar ernstig wordt dit vraagstuk, wanneer als in deze provincie uit een 20-tal gemeenten velen vertrokken naar over de grenzen en deze op hun beurt door hunne vrouwen en kinderen worden gevolgd, dan behoeft het ons niet te verwonderen, dat alle aandacht wordt gevestigd op eene zoo in het oog loopende bevolkingsvermindering. Het vraagstuk is ongetwijfeld ernstig genoeg om daaraan de volle aandacht te schenken.

De derde oorzaak dezer vermindering, is de achteruitgang van het aantal geboorten. Helaas, dat gebeuren grijpt in Zeeland met ernst om zich heen, en dat in eene provincie waarvan het in Nederland heet, dat daar een godsdienstige bevolking wordt aangetroffen. Wie eenigszins van nabij met de feiten bekend is, moet onmiddellijk toegeven, dat de achteruitgang van het aantal geboorten niet noemenswaard wordt aangetroffen onder de Roomsche bevolking, terwijl het daarentegen onder het vrijzinnig gedeelte der bevolking meer in het oog vallend, althans meer merkbaar is. Doch overigens vinden wij den teruggang van het aantal geboorten onder de bevolking van alle kerkengroepen. Bedoeld worden de kerkelijke menschen, zeer algemeen genomen. Het werd vroeger door velen altijd van zelf sprekend gevonden, dat de propaganda voor het Neo-Malthusianisme onder de vrijzinnigen een goeden voedingsbodem vond, maar dat het ook tot de kringen der kerkelijke menschen zou doordringen, geloofde vroeger niemand. Let wel, ik bedoel niet als zou ik meenen dat men in vrijzinnige kringen zoo'n ruim gebruik maakt van voorbehoedmiddelen en evenmin dat deze op ruime schaal gebruikt worden onder de kerkelijke menschen, maar het systeem van geboortenbeperking wordt, meer dan te verdedigen is, in toepassing gebracht, ook in kerkelijke kringen.

Zeker, de middelen worden gebruikt. En niet nu pas; meer dan 20 jaar geleden kwamen ze in mijn vorige woonplaats al bij pakjes binnen.

Doch genoeg.

Het betreft echter het beginsel, om in het gezin een beperkt aantal kinderen te hebben en dat heeft vasten voet gekregen, ook onder hen, die zeggen de H. Schrift als leefregel te aanvaarden. Allerwege trekt men den neus en de schouders op voor hem die een talrijk kroost heeft gewonnen. Dit kwaad is zelfs zeer diep ingeworteld bij de jonge menschen, omdat een groot gezin kostbaar, lastig en genoegens ontnemend is. Men kan niet meer uitgaan, van veel moet men zich onthouden en ten slotte wordt er een glimp van degelijkheid aangegeven door te beweren, dat men aan een groot aantal kinderen niet een behoorlijke plaats kan geven in de maatschappij.

(Wordt vervolgd.)

 

VAN EIGEN BODEM

Een reis door Zeeland in het midden der

zeventiende eeuw.

door

JAN VERMEER.

Adam Samuel Hartmann, Boheemsch geestelijke, pastoor bij de Evangelische gemeente te Lissa en rector van het gymnasium aldaar, werd in het jaar 1657 afgevaardigd voor een kollektereis naar de Nederlanden. In April van het voorafgaande jaar had de Poolsche adel de stad Lissa in vlammen doen opgaan, uit wraak tegen de Evangelische inwoners, die in den Zweedsch-Poolschen oorlog de Zweden als de bevrijders van den geloofsdwang, waaronder zij zuchtten, hadden ontvangen.

Een drietal geestelijken, waaronder Paul Hartmann, de broeder van bovengenoemde, waren terstond hierheen gekomen om bij de milddadige Hollanders steun te zoeken en te vinden in de ramp die hun stad getroffen had. Op raad van hun geloofs- en landgenoot Comenius, den bekenden opvoedkundige, toentertijd in Naarden woonachtig, werd in 1657 ook Adam Samuel Hartmann met Paul Cyrillus, leeraar aan het gymnasium te Lissa, hierheen gezonden met het doel geheel Nederland te bereizen, om overal het medelijden te wekken der om hun gulheid alom bekende Hollanders. Van deze reis heeft Hartmann een beschrijving (1) opgesteld, die een groot aantal belangrijke bizonderheden bevat van kerkelijke en maatschappelijke toestanden. Aan wat hierin van Zeeland vermeld wordt, is het volgende ontleend :

12 Juli 1657 voeren de beide predikanten van Dordrecht uit naar Zeeland. In den nacht kwamen ze langs Zierikzee, en in den vroegen morgen van den volgenden dag kregen ze de torens van Veere, Arnemuiden en Middelburg in het zicht. In de buurt van Arnemuiden zetten ze voet aan wal. Deze stad vonden ze sterk verdedigd met grachten en wallen ; daarbinnen lag een groot plein, dicht begroeid met wilgen en gras, waarop het vee der inwoners weidde. De plaats maakte een aangenamen indruk op de bezoekers. In de omgeving lagen op heuvels kleine gebouwtjes, waar men zout uit zeewater won, de z.g.n. zoutkeeten. Het koren stond zoo mooi, dat er geen grasje onder te bespeuren viel.

's Morgens om 8 uur kwamen ze reeds in Middelburg, waar ze in een herberg dicht bij de poort hun intrek namen. Dezen en den volgenden dag bezochten ze de Middelburgsche predikanten ; ook namen ze een kijkje in de Munt, waar ze duiten, daalders en halve daalders zagen slaan. In den middag van den 14 Juli hield Hartmann in de consistoriekamer van de Nieuwe Kerk een aanspraak tot een dertigtal notabelen der stad, burgemeesters, predikanten, enz., waarin hij om hulp verzocht en zijn geloofsbrieven overhandigde.

Den volgenden dag, een Zondag, reden de heeren voor drie stuiver per man naar Vlissingen, waar ze nog vóór kerktijd aankwamen. Hun oorspronkelijk plan, om te voet te gaan, hadden ze wegens de groote warmte moeten opgeven. Nadat ze den kerkdienst hadden bijgewoond, bezichtigden ze de stad met haar vele mooie gebouwen, en dronken in een herberg goed Vlissingsch bier á 4 stuivers de kan. 's Avonds gingen ze naar de St. Jacobskerk, waar het zoo vol was, dat er nauwelijks iemand meer bij kon. De predikant doopte tijdens dezen dienst vier kinderen, die de doopmoeder in de hoogte moest heffen, terwijl hij, van den kansel af, zijn arm een heel eind moest uitstrekken, om de kinderen te besprenkelen. Later op den avond zagen ze op het bolwerk een schip uit West-Indië onder kanongebulder de haven binnenvallen. Te voet gingen ze naar Middelburg terug, langs een buitengewoon mooien wandelweg, aan beide zijden met hooge schaduwrijke boomen beplant, waarachter zich prachtige lusttuinen, boomgaarden en weiden ter weerszijden uitstrekten.

De volgende dagen brachten de heeren afwisselend in Middelburg en Vlissingen door. In laatstgenoemde stad namen ze ook een kijkje op de kermis, en Hartmann kocht er bij een Poolsch koopman uit de Ukraïne een kompas. Ook bewonderden ze de vele comedianten, kwakzalvers, goochelaars en koorddansers, die er hun kunsten ten beste gaven. Het viel hun op, dat de consumptie hier aanmerkelijk goedkooper was dan in Middelburg. In Vlissingen moesten ze voor een copieus diner 10 stuivers betalen, waarbij het bier inbegrepen was ; in Middelburg moesten ze alleen voor een portie sla met eieren 6 stuivers neerleggen.

18 Juli gingen ze naar Veere ; op den weg er heen zagen ze talrijke vluchtheuvels. Nadat ze ook hier den predikant bezocht hadden, namen ze de stad in oogenschouw. De Groote Kerk konden ze zonder voorbehoud bewonderen ; het Stadhuis vonden ze van buiten mooier dan van binnen, en overigens viel het stadje hun niet mee, evenmin als de bevolking. In een herberg zagen ze op een glasruit met een diamant de volgende versregels geschreven :

Zoo gij wilt zijn t' allen termijn in rust en vrede,

Zoo geeft uw wijf de broek aan 't lijf en 't wambuis mede.

Den volgenden dag verschenen de beide heeren voor de classis Walcheren, die in de Nieuwe Kerk te Middelburg vergaderde. Eenstemmig werd tot hulpverleening besloten; iedere predikant zou in zijn eigen gemeente een inzameling houden. Allen waren bereid om hun Boheemsche geloofsgenooten te helpen, en betreurden het, dat ze niet zooveel konden geven als ze wel zouden willen.

Ook in andere opzichten kreeg Hartmann een gunstigen indruk van Middelburg, dat hij "een zeer schoone en zindelijke stad" noemt. De vele aanzienlijke gebouwen, die hij er aantrof, waren grooter dan die hij te Amsterdam gezien had. Op de Groote Markt bewonderde hij de bestrating, die in den vorm van een ster was gelegd, evenals in de Boterbeurs. Van den Langen Jan vermeldt hij, hoe de bouwmeester van dezen toren hem met opzet wat scheef gebouwd heeft, om zich te wreken oever een hem aangedaan onrecht ! Ook het Stadhuis, de Nieuwe Kerk en de Abdij roemt hij.

Nog vielen hem enkele eigenaardige gebruiken op. Het eerste was, dat aan het huis van een kraamvrouw een bordje, waarover fijn kamerdoek gespannen was, aan de huisdeur werd geslagen. Deze gewoonte herinnert aan de kraamkloppertjes, die men elders vond. Het tweede gebruik, dat Hartmann opviel, was dat bij een sterfgeval van iemand uit aanzienlijke kringen, het geschilderde wapen van den overledene boven de huisdeur werd gehangen, met een onderschrift, waarin het jaartal en de dag van het overlijden werden vermeld. Als het wapen lang genoeg buiten had gehangen, werd het naar de kerk gebracht, waar de doode begraven was, en daar opgehangen. Ieder die wel eens in de Oostkerk te Middelburg geweest is, heeft daar dergelijke wapens gezien. Hartmann vermeldt nog, dat deze gewoonte in heel Zeeland bestond.

Over de Middelburgers laat Hartmann zich gunstig uit ; hij noemt ze bescheiden, wat wel zal beteekenen dat hij van hen geen last van opdringerige nieuwsgierigheid ondervond. Jammer was het alleen, dat het eten er zoo ongelooflijk duur was, en het allerergste was, dat het den uitheemschen smaak van onze reizigers niet voldeed. In de vleeschkramen zagen ze groote vette kalveren, waarbij de Boheemsche het niet haalden, maar in de herbergen scheen men dat niet te kunnen krijgen ; alleen ongezonde visch en sla werd hun voorgezet. Ook het Middelburgsche bier smaakte hun niet;

In den namiddag van den 20sten Juli vertrokken de heeren naar Veere, waar ze door den Predikant van de stad zeer vriendelijk ontvangen en met wijn gelaafd werden. De Veerenaars zagen hen voor Joden aan. In de herberg gebruikten ze 's avonds een maaltijd, bestaande uit komkommers met olie, peper en zout, harde eieren in botersaus, een schoteltje kersen, een pintje wijn en drie kruikjes bier, wat hun op een Hollandschen gulden de persoon kwam.

Den volgenden morgen om 7 uur vertrokken ze per schip naar Zierikzee, waar ze 's middags om 1 uur aankwamen. De dag was snikheet en er stond zoo goed als geen wind. Duidelijk zagen de reizigers bruinvisschen uit het water opspringen.

In Zierikzee gingen ze allereerst naar den oudsten en voornaamsten predikant. De dienstbode die hun open deed, en aan wie ze vroegen of ze den dominee konden spreken, was niet erg bereidwillig, en bracht tenslotte de boodschap, dat de dominee de heeren niet kon ontvangen ; hij had zich opgesloten in z'n kamer, omdat hij morgen moest preeken. De heeren moesten maar naar den burgemeester gaan. Deze laatste mededeeling verbaasde de Bohemers ten zeerste ; de man had hen niet eens gezien, wist niet met welk doel ze kwamen, en stuurde ze toch naar den burgemeester ! Later hoorde Hartmann dat deze predikant Ds. Bruynvisch was, en hij herinneerde zich hoe deze het vorige jaar zijn broeder op een dergelijke vreemde wijze had ontvangen. Omdat het Zaterdagavond was, besloten ze dien dag niemand meer lastig te vallen, en namen hun intrek in een herberg dicht bij de poort, bij een weduwe, die hen gedurende de dagen die zij bij haar doorbrachten goed verzorgde.

(Slot volgt).

(1) Tagebuch Adam Samuel Hartmanns über seine Kollektenreise im Jahre 1657-1659. Herausgegeben und erläutert von Rodgero Prümers. (Zeitschrift der Hist. Gesellschalt für die Provinz Posen. Jahrg. XIV (1899).

DE SCHELDE-ZENDER

Hallo.... , hallo........

Hier is het draadloos uitzendstation de Schelde-Zender........

Vindt u het interessant, te hooren

- dat verschillende straten in Middelburg de zuchten en nog erger uitingen van vele wielrijders, motormenschen en autobestuurders op het geweten hebben. Wie goed luistert hoort de Middelburgsche straten (vooral in de nabijheid van het station en ook de Lange Delft) kermen: "Vernieuw me."

- dat in Kapelle een schilder (geen kunst-) van de tweede verdieping van een heerenhuis viel, en nadien naar het ziekenhuis te Goes moest worden overgebracht.

- dat drie Kamerleden naar Zuid-Beveland reisden, teneinde zich op de hoogte te stellen van de geruchtmakende autobuskwestie. Of het zal helpen ?

- dat in Zaamslag een Oranje-vereeniging is opgericht. De oprichting dezer vereeniging zou verband houden met een bezoek dat de Koningin-Moeder en prinses Juliana dezen zomer aan Zeeuwsch-Vlaanderen zouden brengen.

- dat den Minister van Waterstaat tijdens zijn oponthoud in Terneuzen o.a. verzocht is om spoedige uitvoering der havenplannen en vernieuwing van een gedeelte der Kade, om electrificatie van de Kanaalbruggen te Sluiskil en Sas van Gent, en om handhaving der oude postbestelling te Hulst. De Minister beloofde een en ander .... in overweging te nemen.

- dat de 45-jarige Middelburgsche koopman H.I. O. een jaar gevangenisstraf tegen zich hoorde eischen wegens het doen opmaken van valsche kwitanties voor gedane leveranties ten eigen bate.

- dat de nachtvorst aan het einde der vorige week heel wat schade in de Zeeuwsche boomgaarden aanrichtte.

- dat te St. Annaland een 2-jarig onbewaakt jongetje in een sloot geraakte en om het leven kwam.

- dat in St. Jansteen weer eens een onmaatschappelijke handeling is gepleegd. Uit een winkel verdwenen door braak 8 nieuwe carbidlantaarns en een lade met geld. De dieven kunnen zich thans belichten.

- dat uit een "kunstmoeder", te Retranchement staande, ruim 40 kuikens zonder achterlating van adres verdwenen.

- dat de politie de hand legde op een Hontenissenaar, die jeugdige kinderen van den zedelijken weg lokte.

- dat men in Kats niet meer zal kunnen vloeken, zonder gevaar te loopen met de wet in contact te komen.

- dat de gemeenteraad van Goes een verordening op de winkelsluiting aannam. Van Maandag tot en met Vrijdag kan men na 8 uur niet meer in de winkels terecht, Zaterdags is het verboden na 11 uur te koopen en te verkoopen. Op Zondag blijven alle winkeldeuren dicht.

- dat te Drieschor op een brand in een huis de arrestatie van den eigenaar volgde. Men acht het niet uitgesloten - dat de arrestant een en ander met de vlammetjes uitstaande heeft gehad.

- dat te Vlissingen de vorige week 3 dagen achter elkaar duinbranden voorkwamen. Dank zij padvinders en civielen, kon telkens de brand worden gestuit.

- dat de Bataafsche Petroleum Mij. voornemens zou zijn zes ondergrondsche opslagplaatsen te vestigen aan de Schelde, in de nabijheid van Bergen op Zoom.

- dat de heer A. G. Stubbé om gezondheidsredenen ontslag nam als wethouder van Sas van Gent.

- dat wijlen mej. L. de Schmidt te Terneuzen, legateerde aan de gemeente fl 500.-, de Ned. Herv. Gemeente fl 500,-, het diaconiehuis der Ned. Herv. Gemeente fl 1000.- en de vereeniging tot ziekenverzorging fl 500.-.

- dat op tweeden Pinksterdag 30 Zeeuwsche muziekvereenigingen in Goes een festival zullen organiseeren. Tot vreugde van de zeer muzikalen der inwoners van de stad, houdt de K. L. M. dan tevens vliegtochten.

- dat de vorige week Maandag op den Provincialen weg bij Terneuzen het lijk gevonden werd van een 66-jarigen Terneuzenaar, die tijdens een fietstochtje naar Axel onwel werd en overleed.

- dat te Goes door de Ned. Herv. Gemeente een villa is aangekocht ten einde een rusthuis voor ouden van dagen te stichten.

- dat in het afgeloopen jaar, volgens een jaarverslag, op Schouwen-Duiveland van iedere 1000 inwoners er 11,46 overleden.

- dat de minister van financiën er niet over denkt om de opheffing van de inspectie der directe belastingen te Hulst ongedaan te maken. Algemeen belang gaat voor het plaatselijke, aldus oordeelde de minister.

- dat Mevr. Quarles van Ufford en de Commissaris der Koningin in Zeeland, te Goes de opvoering bijwoonden van Jo van Ammers-Küller's "De spaak in 't wiel", door "Onderling Kunstgenot" ten tooneele gevoerd.

- dat de bazar voor de restauratie der Kruiningsche kerk fl 1500.- opbracht.

- dat verschillende Zeeuwsch-Vlaamsche grondwerkers te werk zijn gesteld in België bij den aanleg van spoorwegen, in de omgeving van Brussel.

- dat de Middelburgsche rechtbank den gewezen gasdirecteur te Hulst wegens het aannemen van steekpenningen, veroordeelde tot f 500.- boete subs. 5 maanden hechtenis. De eisch luidde fl 300.- subs. 3 maanden.

- dat de vereeniging "Uit het Volk Voor het Volk" te Middelburg, in verband met de komst van vele touristen dit jaar, een wedstrijd in gevelversiering met bloemen en planten zal organiseeren.

- dat men in Dreischor ontstemd is over de electrificatie met een bovengrondsch net. Men vreest dat de masten en draden de omgeving zullen ontsieren.

Wij sluiten nu tot volgende week Vrijdag........ Adieu ........

 

TREFFERS EN POEDELS

De Zierikzeesche zelflosser

De Raad van Zierikzee besloot, het lossen van grint voortaan door een zelflosser te doen geschieden.

Reuze, zeg, zoo'n zelleflosser,

die daar komt in Zierikzee,

strakjes lost men daar gewoonweg

al wat los en vast is mee. -

Allereerst het grint natuurlijk,

want daar is-ie voor gemaakt,

hij is een transporteurarbeider,

die den arbeid nimmer staakt. -

Maar die functie is niet alles,

want dat ding doet nog veel meer,

zoo bijvoorbeeld lost hij voortaan

het publiek van 't Katsche Veer;

als de boot door lage Schelde

aan den grond zit vastgeboord,

lost de losser automatisch

al de passagiers van boord.

Verder lost hij met genoegen

de questions brûlantes op,

als daar is de te betreuren

Zondag-isolatie-strop,

Want de losser lost je Zondags

over 't Fliplandsch Veer misschien

en wie weet, met een propeller

wordt het wel een vliegmachien.

Allerhande klutskarweitjes

neemt de zelfverlosser aan,

zelfs een losser van de kaaien

heeft nooit zooveel werk gedaan.

Zierikzeesche werkeloozen

maakt-ie zachtjes in den maf,

bovendien lost hij na jaren

de locale schulden af. -

Als we straks in oorlog raken

gaat er geen soldaat meer mee:

de kanonnen en geweren

lost dat ding uit Zierikzee. -

Zierikzee heeft met z'n losser

heel wat kwesties opgelost,

werkelijk zoo'n ding verdient wel

méér nog, dan z'n eigen kost. -

WILLEM TELL II.

 

DE VROUW AAN HET WOORD

De strijd tusschen de oude romantiek en het ultramoderne.

Ik moest hieraan denken, toen ik ter bruiloft was bij m'n modern nichtje.

Vele jaren verraste ze of ergerde ze me met haar hyper-moderne opvattingen. Ze wekte m'n lachlust, ze prikkelde me tot spotten, ze kreeg boet-predicaties bij hoopen van me, maar door alles heen hield ik van haar en hoopte ik, dat ze eens zelf al haar moderne dwaasheden zou inzien en.... ze daarna zou afleggen.

"Je trouwt natuurlijk niet in het wit", zei ik, toen ze me ter bruiloft kwam nooden.

"Natuurlijk wel", zei ze en ze keek me lichtelijk verbaasd aan.

Als ze me verteld had, dat ze in een smoking zou trouwen, had 't me zeker niets verbaasd.

"M'n bruidsjapon is al klaar. Een dot, gewoon! En o, je moet de jurken van m'n bruidsmeisjes zien. Om voor te knielen!"

Al deze fondant-achtige uitdrukkingen deden vreemd aan in een mondje dat gewoon was hoogste extase te betitelen met "knal", "keiig"' of "reuze".

"De bruidsmeisjes krijgen kapjes op van zilver-kant en zacht-rose stijljurken. En vin-je niet eenig, ze krijgen van die echt ouderwetsche bouquetten, je weet wel met zoo'n stijve, witte kant van papier er omheen. 't Zal een echte bruidsstoet worden."

Het wèrd een echte bruidsstoet en 't was alles of we een eeuw terug waren.

Het bruidje was têer en blond, ze leek een Sêvre poppetje. Al haar blague, al wat garçonne in haar was en me vaak zoo geërgerd had, was weg. Een zachte, bedeesde bruid, een bruidje, zooals onze grootmoeders dat waren, met de têere overgave in de oogen en de beschroomdheid die past op zoo'n dag.

En de zakdoeken kwamen voor de oogen en er werden bruidstranen geweend.

Bij het dejeuner dinatoire zat ze als een jonge vorstin temidden van haar hovelingen. De witte sluier wolkte achter haar zetel aan. De schattige bruidsmeisjes schikten den sleep om haar heen en de bruigom, correct in z'n zwarte jacquet met den gestreepten pantalon was waardig, zooals een bruigom behoort te zijn.

Er werd veel getoast en bij iedere toast hief het bruidje vol gratie de kelk met schuimende champagne op, neeg ze het blonde kopje tot dank.

De bruidsmoeders waren allebei nog blond van haren en zagen er uit als jonge meisjes. Er zijn geen waardige bruidsmama's meer! La mode est tout à faite jeune.

Ze keken met aandoening in de oogen naar hun kinderen, knikten elkaar toe.

Het grootmoedertje van de bruid, twee en tachtig lentes telde ze, had een allergenoegelijkst flirtje met een oud-oom van den bruigom, die den aanvalligen leeftijd van negen en zeventig had bereikt.

O, o! lachende meisjeskopjes keken naar deze flirtation, zoo heel anders dan hun geraffineerde flirtjes, dreigden met een coquet opgeheven vingertje naar het hoffelijk gekoer van de twee oudjes.

Er komt even een inzinking, precies tusschen een prettige toast en een meeslepend tafelliedje.

Meestal wordt zoo'n minder gewenschte domper van de feeststemming met een "leve die of die" weggedoezeld, maar op deze bruiloft zou het anders gaan.

Juist, terwijl men weinig anders hoorde, dan het geklir van de zilveren couverts, gehanteerd door de eet-lustigen, stond de bruid op en vroeg het woord.

Het gaf even een kleine consternatie, want zelfs de allermodernsten onder de dischgenooten had nooit nog gehoord van "een sprekende bruid".

Het werd tot een gebeuren, zooals ze daar stond in het smetteloos wit gewaad de teêre, tulle sluier golvend om het gekuifde, blonde haar.

Zoo zoet klank haar stem, toen ze sprak tot Grootmoedertje, tot de ouders van den bruigom, haar eigen moedertje, de afwezige grootouders van haar man en dan - haar stem kreeg een donkere tint en de woorden vergleden als in een stil gebed - haar gestorven Vader herdacht, hem dankend al wat ze was geworden....

Er bleef geen oog droog, de kleine geparfumeerde zakdoekjes waren duchtig in de weer, maar ook de mannen-oogen kregen een zwemmerig aanzien en men hoorde ze een traan weghoesten.

Allen waren ontroerd, behalve.... de bruid.

Heel de mooie, gevoelvolle toast was ze onbewogen gebleven; had elk effect berekend, iedere nuance in haar stem bestudeerd.

Toen was het, dat weêr het ultra-moderne in strijd kwam met de oude romantiek.

Want in haar hang naar de bruidstooi, het escorte van bruidsmeisjes, de bruidstaart, al, wat de bruiloften van vroeger zoo feestelijk had gemaakt, was geweest het snakken naar de oude romantiek.

Haar toast, de vrouw, de bruid, die zelf het woord voerde, het was de ultra-moderne garçonne, die niet wijken wilde voor dat, wat zonder twijfel weer terugkomt - de oude romantiek.

E. B. B.

 

HET DAGBOEK VAN PHILEMON ZIJDEWIND

11 April. - Frankrijk beleeft een grooten dag. Te Vimoutiers in het Orne-departement is het standbeeld onthuld voor en van Marie Harel, de uitvindster van de camembert- of stinkkaas. Poincaré, Doumergue en nog veel meer hooge autoriteiten, die niet zooals in Holland steeds wegens ambtsbezigheden verhinderd zijn, hebben schoone speechen afgestoken; de geestdrift laaide huizenhoog op, evenals het vuurwerk, dat men echter pas in den avond kunstmatig verwekte.

Poincaré loofde Marie Harel op de hem eigen puntig-geestige wijze zeer uitbundig. Hoewel 'n eenvoudige boerin, heeft zij op ongewoon scherpzinnige manier geëxploiteerd, de neiging van het Fransche volk naar zaken waaraan een luchtje is. Alleen voor deze menschenkennis heeft zij haar standbeeld dubbel en dwars verdiend. Doumergue deed wat gereserveerder. Die draaide vele malen zijn hoogen cylinder in het rond en herinnerde aan het gevleugelde woord van den vermaarden filosoof-hedonist Pourparler-Potdevin, die in de club van "Zeven-en-veertig" eens uitriep dat hij of zij, die een nieuw gerecht uitvindt, voor het geluk van de menschheid meer doet, dan hij of zij die een advokaat buiten de gemeenschap weet te plaatsen.

Mijns inziens zagen de feestredenaars, in deze dagen van den geest van Genève, een belangrijke factor over het hoofd. Ik vind het de grootste verdienste van mej. Harel, dat zij het wist klaar te spelen, dat de wereld, de verdorven wereld, inplaats van stank voor dank, dank voor stank gaf.

12 April.,- Afschuwelijke misdaad in Italië. 'n Bom, die bestemd was om den Koning te vernietigen, verscheurde met groote onpartijdigheid, vijftien proletariërs. De Milaansche burgemeester distalleerde uit dezen gruwel, eerst een reclame voor het facisme en gaf daarna orders tot hulpverleening en opsporing der daders, Mussolini kwam terstond in actie. Blijkt een tegenstander van hem de schuldige, dan zal het worden genoemd een misdaad, die om bloedwraak schreeuwt; heeft echter een fascist 't op zijn geweten, dan kan het aangeduid worden als een al te ijverige poging om aan het schitterend beeld van den Duce de schaduw van het koningschap te ontnemen. Voorts zal dan aan den delinquent zooveel gevangenisstraf worden verstrekt als zijn voor-arrest bedraagt, terwijl hij ten geschenke krijgt het boekwerk: "Hoe men anti-fascisten uit den weg ruimt", of "De dood van Matteotti".

De Duitsche Oceaanvliegers zijn vertrokken. De commandant van de Iersche luchtmacht werd het dralen moede. Hij stopte de aviateurs in de cabine, sprong zelf achter het stuurrad en ging er van door.

13 April. - Schoonmaak ingeluid met 'n nieuwe werkvrouw, die nog wat groen in haar vak bleek. Ze wilde beginnen met den kelder uit te schrobben. "Verstandige menschen werken van boven haar beneden", merkte Liesbeth op. Hoewel deze stelling zeer aanvechtbaar is - gezien de verdienste van het "zich opwerken" - gehoorzaamde de dienstbare en heeft haar emmer water op de vliering omgekeerd. Verrassende resultaten. Druppeling van roetachtige vloeistoffen allerwege. De bui ontvlucht. Zag uit het huis van mijn gebuur een kat vliegen, welke besmeurd was met groene verf. 't Dier keek me collegiaal aan.

14 April. - Stagnatie in de schoonmaak. Liesbeth is met Stientje in den salon bezig om de sporen uit te wisschen, die de adspirant-werkster achterliet. Tegen de deur hebben de kinderen een kaartje gehangen met bliksems in drie kleuren en de zwarte waarschuwing: "Hoogspanning. Levensgevaarlijk."

Duitsche Oceaanvliegers hebben Amerika bereikt. Toen de Ier Fitzmaurice sliep, zagen ze land. 't Waaide en sneeuwde, doch zonder ditmaal gunstig weer af te wachten, schoten ze er naar toe. Of ze gelijk hadden.

15 April. - Met de kinderen eerst groote wandeling gemaakt en daarna op een overhoop gehaalde zolderkamer gezeten, daar Liesbeth beneden een vergadering van de huisvrouwenvereeniging had, welke uit moest maken, wat of de beste manier was, om het huis erg gezellig te maken.

16 April. - Reuter seinde een bericht uit Zuid-Wales, dat in een steenkolenmijn een rat was gevonden die spierwit was en daarom opgezonden was naar de Londensche "Zoo".

Wolff daarentegen meldde met groote stelligheid uit Mannheim, dat daar in een meelfabriek een pikzwarte rat was gevangen, die men onmiddellijk aan Hagenbeck's dierenpark verkocht had.

Beide berichten hebben volgens de couranten, in wetenschappelijke kringen veel beroering gebracht.

16 April. - De dagbladen brachten een teleurstellende tegenspraak. De rat uit Zuid-Wales is zwart en die uit Mannheim wit geweest; en toen beiden behoorlijk gereinigd waren onderscheidden zij zich in niets meer van andere ratten. De beroering in wetenschappelijke kringen is geëindigd.